de weg naar je bestemming

Het zal voorbij zijn,

alle vragen, verwarring en geestelijke onderdrukking, daar, in dat wijd uitgestrekte land, waar we o...

lees meer...

Naar de toekomst kijken.

Dat is wat God Jesaja liet doen. En wat hij toen in de verre, verre verte zag, geeft je zo'n buiteng...

lees meer...

Meer dan een viering!

Pinksteren is bedoeld om een werkelijkheid in ons leven te zijn, een gebeurtenis met gevolgen, geke...

lees meer...

Moeilijke woorden in de Bijbel

Voor een moeilijk woord in de Bijbel een begrijpelijker woord vinden? 
                     Kijk in de lijst hieronder! Zijn er meerdere betekenissen,
                     kies er dan één van.

Staat een moeilijk woord er nog niet bij? 
                     Vraag ernaar via het contactvernster op de pagina Contact.
                     Je krijgt antwoord + het woord komt in de lijst te staan.

Meer weten over de betekenis van een moeilijk woord in de Bijbel?
                     Klik op dat oranje woord hieronder. 
 


Vind hieronder het moeilijke woord! 

Let wel, soms kun je een moeilijk woord in de Bijbel niet door één enkel woord
vervangen. Dan zijn meerdere woorden nodig om de betekenis ervan weer te
geven. Voorbeeld: het woord 'heilige' (zie hieronder).
 

* Aanbidden = (zichtbaar) vereren, (zichtbare) verering geven.

* Belijden = erkennen en uitspreken (die twee samen).

* Berouw = inkeer, afkeer, terugkeer van.

* Discipel = leerling.

* Geheiligd = aangenomen en bestemd voor Hem.

* Genade = (onverdiende) gunst.

* Gerechtigheid = daad/daden van recht; het doen van recht.

* Gerechtvaardigd = vrijgesproken.

* Goedertierenheid = kracht (daden) van vergevende goedheid.
* Goedertierenheid = welgezindheid; liefdedaden.

* Heerlijk = verheven, vol glans, vol majesteit, groot.

* Heerlijkheid = verhevenheid, glans, majesteit, grootheid.
* Heerlijkheid = majesteitelijke glans.

* Heil = heelheid, redding, verlossing, heelmaking, volmaakt making.

* Heilig = helemaal (bestemd) voor (God/Jezus).
* Heilig = toegewijd aan (God/Jezus).
* Heilig = toebehorend aan (God/Jezus).

* Heilige = iemand die geheel voor God/Jezus bestemd is, aan Hem
                toebehoort.
* Heilige = gelovige; toegewijde.

* Heiligen   = toewijden.
* Heiligen   = geheel voor Hem worden/maken; voor God bestemmen.
* Heiligen   = heilig maken.

* Heiligheid = toewijding; toegewijd-zijn. 
* Heiligheid = (het) geheel-voor-God-bestemd-zijn;
                     (het) aan-God-toebehoren.
* Heiligheid = eenheid met God.

* Hoorn = naam; eer; aanzien.

* Kennen = deel hebben aan, een persoonlijke relatie hebben met...

* Recht: hiervoor is geen vervangend woord.

* Rechtvaardigen = vrijspreken.

* Tucht = opvoeding, correctie.

* Tuchtigen = opvoeden, corrigeren.

* Uitverkiezing = roeping en bestemming voor Gods Koninkrijk.

* Uitverkoren = geroepen en bestemd voor Gods Koninkrijk.

* Vergeven = kwijtschelden; niet toerekenen.

* Vrezen = eerbiedigen, luisteren naar, eerbied bewijzen, aanbidden,
                  geloven, gehoorzamen (dit alles tezamen).

* Vreze des HEREN = God eerbiedigen, enzovoort. Zie bij 'vrezen'. 

* Welgevallen = genoegen, goedkeuring.
* Welgevallig zijn = tot genoegen, tot vreugde zijn.
* God welgevallig zijn = tot Gods tevredenheid, genoegen, plezier,
                     vreugde zijn.

* Zonde = kwaad (de zonde = het kwade; een zonde = een kwaad).

* Zondigen = kwaad doen.