de weg naar je bestemming

Kan God ons een opdracht geven

zoals Hij gaf aan Abraham: om zijn zoon te offeren? Nee, dat niet, maar soms vraagt Hij ons wel ande...

lees meer...

Het kan nacht zijn.

In je eigen leven, in de wereld. Net als in Israël toen. Maar juist dan kan God maken dat er bi...

lees meer...

Sommige bijbelteksten openen je ogen

voor dingen die je niet eerder zag, die ook niet voor iedeeen bestemd zijn, maar die enorm bemoedig...

lees meer...

Moeilijke woorden in de Bijbel

Voor een moeilijk woord in de Bijbel een begrijpelijker woord vinden? 
                     Kijk in de lijst hieronder! Zijn er meerdere betekenissen,
                     kies er dan één van.

Staat een moeilijk woord er nog niet bij? 
                     Vraag ernaar via het contactvernster op de pagina Contact.
                     Je krijgt antwoord + het woord komt in de lijst te staan.

Meer weten over de betekenis van een moeilijk woord in de Bijbel?
                     Klik op dat oranje woord hieronder. 
 


Vind hieronder het moeilijke woord! 

Let wel, soms kun je een moeilijk woord in de Bijbel niet door één enkel woord
vervangen. Dan zijn meerdere woorden nodig om de betekenis ervan weer te
geven. Voorbeeld: het woord 'heilige' (zie hieronder).
 

* Aanbidden = (zichtbaar) vereren, (zichtbare) verering geven.

* Belijden = erkennen en uitspreken (die twee samen).

* Berouw = inkeer, afkeer, terugkeer van.

* Discipel = leerling.

* Geheiligd = aangenomen en bestemd voor Hem.

* Genade = (onverdiende) gunst.

* Gerechtigheid = daad/daden van recht; het doen van recht.

* Gerechtvaardigd = vrijgesproken.

* Goedertierenheid = kracht (daden) van vergevende goedheid.
* Goedertierenheid = welgezindheid; liefdedaden.

* Heerlijk = verheven, vol glans, vol majesteit, groot.

* Heerlijkheid = verhevenheid, glans, majesteit, grootheid.
* Heerlijkheid = majesteitelijke glans.

* Heil = heelheid, redding, verlossing, heelmaking, volmaakt making.

* Heilig = helemaal (bestemd) voor (God/Jezus).
* Heilig = toegewijd aan (God/Jezus).
* Heilig = toebehorend aan (God/Jezus).

* Heilige = iemand die geheel voor God/Jezus bestemd is, aan Hem
                toebehoort.
* Heilige = gelovige; toegewijde.

* Heiligen   = toewijden.
* Heiligen   = geheel voor Hem worden/maken; voor God bestemmen.
* Heiligen   = heilig maken.

* Heiligheid = toewijding; toegewijd-zijn. 
* Heiligheid = (het) geheel-voor-God-bestemd-zijn;
                     (het) aan-God-toebehoren.
* Heiligheid = eenheid met God.

* Hoorn = naam; eer; aanzien.

* Kennen = deel hebben aan, een persoonlijke relatie hebben met...

* Recht: hiervoor is geen vervangend woord.

* Rechtvaardigen = vrijspreken.

* Tucht = opvoeding, correctie.

* Tuchtigen = opvoeden, corrigeren.

* Uitverkiezing = roeping en bestemming voor Gods Koninkrijk.

* Uitverkoren = geroepen en bestemd voor Gods Koninkrijk.

* Vergeven = kwijtschelden; niet toerekenen.

* Vrezen = eerbiedigen, luisteren naar, eerbied bewijzen, aanbidden,
                  geloven, gehoorzamen (dit alles tezamen).

* Vreze des HEREN = God eerbiedigen, enzovoort. Zie bij 'vrezen'. 

* Welgevallen = goedkeuring.
* Welgevallig zijn = tot vreugde zijn.
* God welgevallig zijn = voor God een genoegen, een plezier, een
                     vreugde zijn.

* Zonde = kwaad (de zonde = het kwade; een zonde = een kwaad).

* Zondigen = kwaad doen.