de weg naar je bestemming

Mijn grootste aardse schat.

Wat is dat? En wat doe ik ermee? En... hoe krijgt die zijn grootste waarde en betekenis?

lees meer...

Heb ik rechten bij God?

Nou en of! En Hij wil dat ik dat zie en daaruit leef. Als Israël klaagt, dat God voorbijgaat aa...

lees meer...

SPECIAL: Wie is mijn naaste?

We kennen het verhaal. Maar Jezus zegt altijd meer dan het, oppervlakkig gezien, lijkt.

lees meer...

Moeilijke woorden in de Bijbel

Om een begrijpelijker woord te vinden voor een
moeilijk woord in de Bijbel: 
                     Kijk in de lijst hieronder!

Meer weten over de betekenis
van dat moeilijke woord?
                     Klik hieronder op dat oranje woord. 

Er komen steeds nieuwe woorden bij in de lijst!
Staat een moeilijk woord er nog niet bij?
                     Vraag dan naar de betekenis ervan via de pagina Contact.
                     Je krijgt e-mail-antwoord + het verschijnt in deze lijst.
 


Soms kun je moeilijke woorden in de Bijbel niet vervangen door
één enkel woord. Dan heb je meerdere woorden nodig om de betekenis
weer te geven, of zelfs een langere omschrijving.  

Wil je meer weten over de betekenis van een bepaald woord:
Klik dan op dat woord.

* Aanbidden = (zichtbaar) vereren, (zichtbare) verering geven.

* Belijden = erkennen en uitspreken (die twee samen).

* Discipel = leerling.

* Geheiligd = aangenomen en bestemd voor Hem.

* Genade = (onverdiende) gunst.

* Gerechtigheid = daad/daden van recht; het doen van recht.

* Gerechtvaardigd = vrijgesproken.

* Goedertierenheid = kracht (daden) van vergevende goedheid. 
* Goedertierenheid = welgezindheid; liefdedaden.

* Heerlijk = verheven, vol glans, vol majesteit, groot.

* Heerlijkheid = verhevenheid, glans, majesteit, grootheid.  
* Heerlijkheid = majesteitelijke glans.

* Heil = heelheid, redding, verlossing, heelmaking, volmaakt making. 

* Heilig = helemaal (bestemd) voor (God/Jezus).
* Heilig = toegewijd aan (God/Jezus). 
* Heilig = toebehorend aan (God/Jezus).

* Heilige = iemand die geheel voor God/Jezus bestemd is, die aan 
                Hem toebehoort. 
* Heilige = gelovige; toegewijde.

* Heiligen   = toewijden.
* Heiligen   = geheel voor Hem worden/maken; voor God bestemmen.
* Heiligen   = heilig maken.

* Heiligheid = toewijding; toegewijd-zijn.
* Heiligheid = (het) geheel-voor-God-bestemd-zijn;
                     (het) aan-God-toebehoren.
* Heiligheid = eenheid met God.

* Hoorn = naam; eer; aanzien.

* Kennen = deel hebben aan, een persoonlijke relatie hebben met...

* Recht: hiervoor is geen vervangend woord.

* Rechtvaardigen = vrijspreken.

* Uitverkiezing = roeping en bestemming voor Gods Koninkrijk.

* Uitverkoren = geroepen en bestemd voor Gods Koninkrijk.

* Tucht = opvoeding, correctie.

* Tuchtigen = opvoeden, corrigeren.

* Vergeven = kwijtschelden; niet toerekenen.

* Welgevallen = goedkeuring.
* Welgevallig zijn = tot vreugde zijn. 
* God welgevallig zijn = voor God een genoegen, een plezier, een
                     vreugde zijn.

* Zonde = kwaad (de zonde = het kwade; een zonde = een kwaad).

* Zondigen = kwaad doen.